blog van Eva De Groote

Posts tonen met het label zonlicht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zonlicht. Alle posts tonen

dinsdag 21 april 2015

Het juiste spoor

Een vogel wekt mij een half uur eerder dan de wekker van plan was. Ik sluip naar beneden en steek even mijn neus naar buiten. Het is erg fris maar het licht is klaar voor de dag. Niets zo verkwikkend voor het hart als het enthousiasme van een lenteochtend. De krant is er al. Ik slof naar de keuken en zet water op het vuur. Ik plooi de krant open op tafel en de wereld komt naar binnen. De beelden met drenkelingen rijgen mijn keel toe. Het gaat over zoveel mensen. Je kan je ze amper nog als aparte personen voorstellen. Er wordt gesproken over magneeteffecten, over terugdringen, over een spreidingsplan. De zee tussen ons en de plekken waar mensen vandaan willen is gevuld met gezonken wanhoop, met versmachte dromen en de bruut afgebroken ondernemende kracht van zovelen. De wekker gilt in de verte op de eerste verdieping, gestommel weerklinkt, water stroomt in de badkamer. Ik vouw de wereld dicht en haal brood en beleg uit om lunchpakketten te maken.

De dag wordt geleefd. De vluchtelingencrisis sijpelt binnen in sommige meetings en in pauzes, in een telefoonoverleg en een rodelicht-ontmoeting. Men weet niet juist wat gedacht, niet goed wat gezegd, laat staan wat ondernomen.

Het wordt avond. Ik loop een ziekenhuis binnen voor een routine doktersconsult. Alles is gestroomlijnd georganiseerd in dit mini universum. In de lobby leidt de signalisatie je naar de incheckzone. Een ticketautomaat zorgt ervoor dat het aanschuiven netjes wordt georganiseerd. Het is druk. Ik ga even zitten om te wachten. Het belletje om aan te geven dat er een balie vrij is voor de volgende wachtende rinkelt regelmatig en brengt telkens beweging te weeg. Een man met donker haar en volle lippen zit observerend te wachten. Mijn zwervende blik vangt eventjes de zijne. Zachtheid en teruggetrokkenheid straalt hij uit, een verhaal met al wat episoden, opgeborgen achter een nette façade met de gordijnen halfdicht . Een oude dame vraagt hulp om uit de cijfers wijs te raken. Dan is het plots mijn beurt om in te checken. Ik krijg een trits klevers mee en een ziekenhuisstraat om op te zoeken. Ik slaag er in om eerst de verkeerde kant uit te lopen. Uiteindelijk zit ik op het juiste spoor. Ik volg de pijltjes van de straat, ik ben laat intussen, ik loop wat sneller. De pijltjes brengen mij naar een lift. De deuren maken net aanstalten om te sluiten.
‘Ik ga mee,’ zeg ik luid tegen de rug van de man in de lift en ik versnel mijn pas. Hij draait zich om en ik spring naar binnen. Het is dezelfde man als in de wachtzaal eerder. Een ongemakkelijke grinnik. De liftdeuren gaan dicht maar de lift beweegt niet. Oh ja, een verdieping kiezen natuurlijk. Ik kijk even welke verdieping bij de straat hoort die ik zoek en druk op de vierde verdieping. Hij kijkt net op van zijn ticket en doet hetzelfde. Onze wijsvingers ontmoeten elkaar op het vierkante liftknopje. Nog een ongemakkelijke grinnik en dan staren naar het springende ledlichtje boven de deur dat de verdiepingen telt. Eens ik de lift heb verlaten ben ik vlak bij de receptie van de arts die ik zoek. Er is niemand achter de balie. Ik wacht geduldig. De man verschijnt achter mij. Wat een toeval. Ik gluur naar de klevertjes in zijn hand. ‘Madani’ lees ik naast zijn duim. Ik moet denken aan de vele Iraniërs die hun leven riskeren in helletochten zoals beschreven in de krant vanmorgen, have en goed achtergelaten, om elders een veilig bestaan op te bouwen. Wat ik erover kan bedenken is vast maar een fractie van wat het is.
‘Mevrouw?’
De dame aan de receptie is verschenen en gebaart om mijn klevers. Ze tikt wat dingen in en kijkt weer op.
‘Jullie mogen naar wachtzaal 2.’
‘Hm?’ zeg ik met verbaasde blik.
‘Oh, u bent niet samen, excuus, u mag naar wachtzaal 2.’
Verrast door de veronderstelling van de receptioniste ga ik in de wachtkamer zitten. Als de man wat later verschijnt, weten we stilaan niet meer waar kijken. Het zoeken naar een landplaats voor mijn blik duurt niet lang want al bijna meteen verschijnen er twee dokters in de deuropening. Ze zuigen beiden lucht alvorens een naam af te roepen en glimlachen om het komisch effect van de gelijktijdigheid.
‘Madani?’  ‘De Groote?’
De man en ik veren recht. We kijken elkaar nu een seconde lang echt aan. Dan strekt hij zijn hand naar de grond om mij voor te laten. Ik glimlach naar ‘m ter afscheid en volg mijn arts naar diens kabinet.

dinsdag 4 februari 2014

Zonlicht in tijden van

Een kleine week geleden komt mijn moeder inspringen voor de woensdagnamiddagroutine. Als ik in de vooravond thuiskom staat er een valiesje klaar aan de voordeur. Ze stelt voor de nog niet-schoolplichtige dochter te ontvoeren, om de druk wat te verlichten in deze turbowerkweek van dochterlief. Goed plan. Terwijl ik het portier dichtsla en naar de kleine dochter op de achterbank zwaai (die er met haar tasje op schoot helemaal klaar voor is om op verwenweek te gaan), zegt mijn moeder: 
‘Maar kind toch, waar begindegij toch allemaal aan.’
Dat durf ik mij ook eens af te vragen zo af en toe. Ik zie er wat bleek en verfrommeld uit, zo zie ik nog net in de vertrekkende autoruit. Ik ren snel weer naar binnen. De oudste dochter moet worden opgehaald van de celloles. Daar hadden we dus ook niet zo bijster goed over nagedacht toen we een instrument kozen, dat een dwarsfluit praktischer te transporteren is. Ik gil naar de middelste dat ik even weg ben en spring op de fiets. De rit komt van pas om te ordenen wat er morgen allemaal moet gebeuren. Halverwege valt het plannen stil. De lucht is koud en helder, het vallen van de avond is altijd magisch dan, ook in een stressweek. Met al het gedoe rond de Broken Circle Breakdown zit ik gedurig met dat ene Johny Cash liedje in mijn hoofd, in de versie van la Baetens.
I’m just a poor wayfaring stranger
I’m traveling through this world of woe
Yet there’s no sickness, toil nor danger
In that bright land to which I go
Pathetisch, ik weet het maar o zo heilzaam, ik rij de berg af en zing uit volle borst, en dan een beetje stiller als ik aan het rood licht arriveer naast een stel andere fietsers.
Het weekend kwam en ging en was vol van dingen en indrukken, opbouwen en afbreken, enthousiasme en vragen, het begin van een spannend parcours.
Vandaag kom ik aan op mijn vrije ochtend. Van de weeromstuit ben ik doodmoe natuurlijk. Ik kijk op van de ontbijttafel en verzeil in twee grote bruine kijkers. Da’s waar ook, we hebben een hond op logement.  Een kleine windhond.
‘Dag Wilma.’
Meer heeft ze niet nodig om likkend en kwispelend te komen aangedarteld.
‘Tja. Gij zijt nen hond, dus gij moet wandelen, niet?’  
Ik giet mijn koffie binnen en trek mijn jas aan.
Nieuwe sensatie. Vrouw laat hond uit. Mij tot nu toe onbekend terrein. Ik begeef mij naar het park in de buurt. Ik las net nog in de krant over de sneeuwstormen in Oostenrijk en Texas maar in Gent hebben we absurd zonnig winterweer aan de hand. In het park zie ik dat er nog mensen op het idee kwamen om hun hond uit te laten. Vol fascinatie stel ik vast dat het waar is dat honden op hun baasjes lijken. Ik kijk naar Wilma die braafjes naast mij zit. Zouden ze dat van mij en deze kleine windhond ook denken? Te kleine steekproef om wetenschappelijke bevinden op te baseren maar toch: hondeneigenaars zijn erg vriendelijk. Wat ontspannend om ontmoetingen te hebben zonder te veel te moeten praten. Je kruist iemand met een hond, je houdt even halt, de honden besnuffelen elkaar, je kijkt elkaar glimlachend aan en je zet je weg verder. Alleen spijtig dat dat heilzame zonlicht enkel een strookje gezicht tussen sjaal en muts bereiken kan.
Thuisgekomen merk ik op de gang op de eerste verdieping een prachtige strook enthousiast zonlicht op. Ik installeer een zeteltje pal in het licht en nestel mij als een kat in de warme stralen. Nee, da’s nog niet goed genoeg. Ik ga staan en stroop mijn nylons naar beneden. Da’s beter zie, vollenbak zonlicht op blote benen.
Ik word wakker met het gezicht van een verbaasde man boven het mijne.
‘Alles goed?’ vraagt hij met fronsende wenkbrauwen blikkend op de afgestroopte kousenbroek die op mijn enkels ligt.
‘Ja hoor, ik wou er alles uithalen, uit die winterzon.’
Wilma is het daar helemaal mee eens, ze ligt prinsheerlijk naast mij in het zeteltje.