blog van Eva De Groote

Posts tonen met het label jeugdsentiment. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jeugdsentiment. Alle posts tonen

dinsdag 5 mei 2015

Glorie, glorie, halleluja

Een zondagochtend in een kerk op een heuvel in de Vlaamse Ardennen. Ik ben twaalf. Ik heb me gehaast om op tijd te zijn. De lange helling om er te geraken schuurt nog na in mijn keel. Ik ga zitten in de zijbeuk. De priester begint er aan. Twee stoelen rechts van mij zit het kromme oude dametje dat er elke week zit. Ze kan niet goed opkijken, zo lijkt het, ze zit voorover gebogen en wrijft de ganse tijd over haar catechismus. De meeste andere eucharistievolgers zitten in de middenbeuk. Tijdens de ‘lering’ zaten we hier in de zijbeuk met een stuk of twaalf kinderen, jongens en meisjes door elkaar. Dat was spannend zeg, een volledig uur doorbrengen in het bijzijn van het andere geslacht. Ik kwam uit een gezin met meisjes, zat in een meisjesschool, zo’n een paar andere exemplaren van dichtbij bestuderen, dat was toch wat. Sommigen hadden een merkwaardig donker donspartijtje op hun bovenlip. We hadden een stempelkaart die moest bewijzen dat we naar de mis geweest waren. Na de hostie mochten we aanschuiven voor een stempel. Nu, zes weken na onze Plechtige Communie, ben ik de enige die hier zit op zondagochtend. Geen stempels meer te halen. De eerst weken vond ik het schokkend hypocriet van mijn communiegenoten. Vandaag is dat al wat weggeëbd. Ik denk aan mijn zussen die nog lekker in bed liggen. Aan mijn vader die gaat paardrijden op zondagochtend. Ik kijk naar de priester die een dialect spreekt dat niet van de streek is en waar ik geen zier van begrijp. Ik zit netjes de dienst uit en beslis dat ik vanaf volgende week mijn zondagochtend anders zal besteden. Het lichaam van Christus. Amen.

Opnieuw een zondagochtend, bijna dertig jaar later, ergens in Vlaamse Velden. De eerste communie van het jongetje waarvan ik meter ben voert mij voor de tweede keer in korte tijd terug naar de kerk. De knaap werd een paar weken terug in allerijl gedoopt om samen met zijn klasgenootjes zijn communie te kunnen doen. Het was een viering in kleine kring, enkel met ouders, meters en peters. Er waren in totaal acht grote dopelingen die het heilig water mochten ontvangen om in regel te zijn voor de communie. Daarna werden we gevraagd om aan te sluiten bij de dienst in de grote kerk. Ik had het wat lastig tijdens de dienst. Enerzijds omwille van het klein rotsfonteintje dat geïnstalleerd was vooraan in de kerk en dat mijn blaas geweldig inspireerde. Anderzijds omdat er dingen werden geopperd en gezongen waar ik mij erg over verbaasde. Het leek niet te kloppen met deze tijd. Zo zong de koorleider: ‘Alleen onze god is heilig, niet de goden van de wereld,’ en werden we verondersteld om dat vroom na te zingen.

Toen ik startte met de middelbare school was de vermenging der geslachten net begonnen. De eerste jaren echter bracht dat in de praktijk niet veel opwinding te weeg. De nonnenscholen bleven voornamelijk gevuld met meisjes, bij de paters zaten er bijna exclusief jongens. Ik weet niet of het in de steden anders was maar in de katholieke school daar op den buiten waren de klassen volledig gevuld met blanke meisjes, allemaal ongeveer uit dezelfde sociale klasse. We droegen grijze stofjassen boven onze kleren en werden geacht om ons te gedragen en te zwijgen. In mijn herinnering was frivoliteit op eender welk vlak totaal uit den boze. Net als kritische vragen stellen of uit de band springen. Het was alsof mijn vleugels met koorden stevig tegen mijn lijf werden gebonden. Alsof de grote indrukwekkende non die godsdienst gaf - steevast gekleed in vele tinten grijs - er haar persoonlijke missie van maakte om mij de mond te snoeren en mijn haren in de plooi te krijgen. Ik ben er mij van bewust dat ik wellicht overdrijf en dat het overweldigend gevoel van inkapseling ongetwijfeld ook met mijn beginnende puberteit te maken had. Toch word ik hier in deze viering, bijna dertig jaar later, opnieuw overvallen door datzelfde opgesloten gevoel, diezelfde drang tot rebellie.

De priester heft zijn armen zijdelings en heet ons welkom. Hij is niet begiftigd met inspirerende stemgeluid, de arme man, hij spreekt nasaal en monotoon: ‘Wij zijn hier vandaag verzameld voor een heel bijzonder moment, een heel bijzondere viering.’ De woorden deinen na door de microfoon. Hij kijkt naar de halve kring opgedirkte kinderen gezeten voor het altaar en zegt op dezelfde toon maar trager: ‘Jullie worden vandaag vriendjes van Jezus.’  De dienst gaat van start. Er is duidelijk veel devotie en passie gestoken in het aankleden van de dienst door de twee godsdienstjuffen van de kinderen. Er wordt gezongen en voorgedragen, rode harten zijn het steeds terugkerend thema. Liefde. Mijn gedachten echter zoeken steeds sceptische oorden op. Ik stel vast dat ik mij moeilijk kan vereenzelvigen met het gebeuren hoewel mijn wortelingen er ontegensprekelijk liggen. Hoe vreemd is het om de archaïsche verhalen en symbolen zo star te blijven afdreunen zonder hedendaagse herinterpretatie, hoewel opgefleurd met harten en kinderliedjes. Ik moet denken aan de Afrikaanse gemeenschap in de straat die op zondag het yogazaaltje inpalmt voor uitbundige vieringen waarbij het plezier van het samenzijn en de verbondenheid steevast de straat in drijft. Hier in deze onuitbundigheid erger ik mij aan het paternalisme van de teksten. Minderheidsgroepen worden in hokjes gezet en vanop veilige afstand met compassie overgoten. Voor de armen der aarde. Bid voor hen. Voor de moeders die niet voor hun kinderen kunnen zorgen. Bid voor hen. Tegelijk schaam ik mij voor mijn eigen paternalisme, voor mijn eigen drang om mij te willen onderscheiden van deze groep symboliekgelovigen die aanschurken bij hun geloofsgeschiedenis om niet zonder ceremonieën te vallen. Tijdens mijn gemijmer vang ik toevallig de blik van mijn vader op die een paar rijen verder in de zijbeuk zit. Hij leest mijn gewriemel feilloos en maakt een subtiele zijdelingse hoofdbeweging gepaard met een sussende mond. Het steekt een glimlach bij me aan.

De dienst is voorbij, we schuifelen naar buiten. ‘Gaan we nu iets eten?’ vraagt de kleinste dochter die aan mijn hand bengelt. ‘Bijna,’ zeg ik. Een vriendin van de familie schrijdt naast mij naar buiten, ze lacht heel vriendelijk en wijst speels naar mijn wederhelft: ‘Zijn jullie eigenlijk getrouwd voor de kerk?’ ‘Nee jong,’ grinnik ik. We ontmoeten de frisse buitenlucht, de klokken luiden, de kraaknet uitgedoste kinderen rennen rond voor de kerk, er heerst toch een feestelijke stemming plots. Mijn kleine dochter trekt aan mijn hand, ze heeft weer eens een vraag klaarzitten:
‘Mama?’
‘Hm.’
‘Zijn papa en jij eigenlijk voor de kerk getrouwd of natuurlijk?’



dinsdag 14 oktober 2014

Jeuk

Vrijdagochtend acht uur. Ik sta in startpositie op de stoep en hou mijn handen stevig aan het stuur terwijl de jongste dochter op het fietszitje klautert. De middelste sukkelt met het afstellen van haar helm en windt zich duchtig op. Vader komt bijstand verlenen. Er worden kussen uitgedeeld.


‘Dus gij komt niet over huis vanavond?’ vraagt hij retorisch. Alles is afgesproken, de babysit is geregeld, we overlopen nog één keer om geen misverstanden te hebben. Een mens leert bij uit eerdere fratsen.
‘Nee, ik kom niet naar huis, ik spring na ‘t werk op de trein voor die lezing in Brussel en dan zie ik u later op de avond op dat feestje.’


Hij staat op de stoep met zijn handen in zijn zakken. De ochtend is al fris aan de handen. Hij heeft de koffieochtend vandaag. Ik doe de schooldrop. Ik wil al op mijn pedaal springen maar bedenk mij en leun terug naar hem toe.


‘Ge weet dat het mijn beurt is vanavond, hè.’


‘Pfff,’ zeg hij spottend, ‘Ja hoor, we zullen dat wel nog zien. Wedden dat je in coma ligt tegen twaalf uur?’


Ik trek mijn schouders op en vertrek. De middelste dochter staat wat verder teken te doen dat we te laat zullen zijn op school.


De dag ruist voorbij, snel en gevuld als altijd. Plots is het kwart voor zes. Ik pluk mezelf van het buro om de trein van zes uur te halen. Eerst een hapje eten in goed gezelschap en dan naar die lezing. Over een nieuw samenlevingsmodel. Inspirerend. Tegen kwart over tien zit ik weer op de sporen. Ik val in slaap en schiet wakker door het hortend vertragen van de trein. De man rechttegenover mij kijkt mij geamuseerd aan. Het was vast een schouwspel om mij te zien knikkebollen. Met slaapogen begeef ik mij naar de deuren. Het binnenrijden in het station duurt altijd langer dan je denkt. Passagiers hopen op in de kleine wachtruimte. Iemand met een plooifiets. Iemand met een aktentas. Achter mij zegt een man: ‘Kijk nu, mijn collega’s hebben een paar peren in mijn tas gestoken.’
‘Oh, ik wil er wel een,’ hoor ik mezelf zeggen.
‘Hierzie, laat het u smaken.’
Het smaakt.


Uren later. Na het café met de drink voor de verse veertiger, ben ik aangekomen op een feestje in een oude school opgedeeld in kunstenaarsateliers. Rokers staan op de koer te praten. Muziek lonkt uit de oude turnzaal. De dj is een bekende die als geen ander mijn voeten aan de praat krijgt. Ik fonkel. Manlief kan zijn teleurstelling over mijn wakkere toestand niet verbergen. De klok slaat twee uur en zijn koets verandert in een pompoen. Iemand uit het veld waarin ik werk tracht een serieus gesprek aan te knopen. Ik luister maar half, ik knik en nip van mijn drankje. Als de dj een zoveelste goeie plaat opzet vergeet ik de beleefdheidsregels, duw mijn drankje in zijn handen en ben vertrokken. De setting is ideaal. Niet teveel volk, niet te zat, de juiste muziek. Het dansen begint om niet op te houden. Gebeitelde glimlach. Er zijn de rokers op de koer buiten, er zijn de hangers aan de toog, er zijn de observeerders aan de rand van de dansvloer, er zijn de voorzichtige dansers, en er zijn er die al een tijdje jeuk hadden en eindelijk kunnen krabben. De beats zijn luid en verslavend, de kop gaat uit, er is enkel het opgaan in het golven van de dansnummers.


Het wordt later. De hangers en praters zijn verdwenen. Iedereen staat op de dansvloer nu. Woordeloze verbondenheid met bekenden en onbekenden. Met sommigen stond ik twintig jaar geleden ook op de dansvloer in een turnzaal ergens op het platteland. We liepen wat schaving op intussen maar vanavond wordt die verdoezeld door spots en flikkerlicht. Een flamboyante dame met dunne benen, hoge hakken, weelderige haardos en dito boezem ontpopt zich volbloed tangostijl. Een beer van een man tracht onhandig met mij te dansen, wat later vindt hij een grote vrouw die beter past. Een meisje met sportschoenen en paardenstaart danst euforisch en zwiert bier in het rond. Twee eeuwige vrijgezellen vonden elkaar in een onverwachte match en bewegen alsof ze zijn samengebonden door een onzichtbaar lint. Iemand is van de wereld weg en wiegt midden de dansvloer als een boom in de wind, wars van de muziek. Maar de meesten blijven dansen. Ook mijn benen blijven gaan.


Met het dieper worden van de nacht treden er complicaties op. Ik word staande gehouden op de dansvloer voor korte interpellaties. ‘Weet jij wat voor feestje dat hier precies is?’ ‘Ben jij hier alleen?’ ‘Wil je iets van me drinken?’ ‘Ga je mee naar buiten?’ Ik weer vriendelijk af en haak telkens weer in op het nummer dat gaande is. Opnieuw wordt er op mijn schouder getikt. Een mooie jonge zwarte man met een stralende glimlach en een kraakwit hemd. Zijn haren zitten in een modieuze mannendot.


‘Mag ik u iets vragen?’


Ik knik. Wat kan ik anders doen.


‘Hoe oud bent u?’ Hij zegt ‘u’.


‘Veertig,’ zeg ik naar waarheid.


‘Echt?’


Hij leunt een moment achteruit en komt dan weer bij mijn oor hangen.


‘U danst erg mooi voor uw leeftijd.’


‘Dank u,’ zeg ik en ik wacht niet op het vervolg van het gesprek. Ik doe een rondje en kus de bekenden ten afscheid. Sommigen maken er een omhelzing van in het sentiment van de nacht. Buiten vind ik mijn fiets terug. Met watten benen klim ik er op en rij naar huis. De vogels zingen nog net niet.


dinsdag 9 september 2014

Tijdreizen

Zondagnamiddag.

‘Allez kom, we gaan eens naar buiten.’

Er weerklinkt gezucht vanuit de zetel, vanachter de stripverhalen.

‘Moet dat nu echt?’

‘Ik ben bezig.’

‘Ik ben moe.’

‘Yep, het moet.’


Vijf minuten later zijn we geschoeid en op weg naar de Prettige Wildernis. Niets zo heerlijk als voor je uit lopend nageslacht op een zondagse wandel. Het ene lijf slungelt al een beetje, het andere heeft de laatste stuiptrekkingen van een kleuterhuppel. Van alledrie versnelt de pas eens we dichterbij het park komen en de wilde paadjes lonken.

‘We zien u wel aan de boom, hè,’ roepen ze voor ze rennend in het groen verdwijnen.  

De boom is een groot omgevallen exemplaar in een verdoken stuk van het park. Hij is ingewoekerd door Japanse Duizendknoop, het is een echt klimparadijs. Ik installeer mij op een meter of twintig afstand. Ook ik hou van het plekje. Het ligt weg van de wandelpaden. Er is geen verkeersgeluid. Er is ligt wat zwerfvuil, de resten van een kampvuur, het is ook de plek van anderen soms.

Ik vind een rieten strandmatje en ga er op zitten. Mijn ogen gaan vanzelf toe. Ik doe mij te goed aan het lichte ruisen van de bladeren en aan de volle buitengeur. Er verstrijken een paar minuten. Vreemd geritsel. Ik open mijn ogen en hou mijn lijf stil. Een eekhoorn loopt van tak naar tak, van boom naar boom alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ik lijk hem niet te storen, ik kan hem wel een minuutlang observeren in zijn drukke bezigheid van kruinrennen.

Een klein uur later roept de avondroutine. Ik verzamel de troepen.

‘Moet dat nu echt?’

‘We zijn net zo leuk bezig.’

We wandelen terug, we nemen niet de kortste weg, we volgen de slingerende graspaadjes door het park. De meisjes rennen weer voorop. Plots komt er een sterke geur langs mijn neus gepasseerd. Ik snuif eens extra om ‘m goed te pakken. Onmiskenbaar. Elnett haarspray en een snuifje Eau de Cologne. Mijn grootmoeder flakkert in mijn hart. Wat verder zie ik een oude dame gehurkt bij een hondje zitten. Ze gaat staan, ze kijkt me even aan. Ze heeft een geklede sportieve broek aan, orthopedisch uitziende schoenen, een gileetje, haar grijze haar in een gedistingeerde dot. Ze knikt me toe. Ze lijkt fysiek noch van stijl op mijn grootmoeder.

We lopen het park uit en de wind verandert van richting. Een teug muziek van een nazomerfestival ergens in de stad waait me tegemoet.

‘I gave you hard times, baby.
Oe oe oe oe oe oe
I have you truth and lies.
I gave you hard times.’

Miljaar zeg. Nog zo’n slok jeugdsentiment. The Scabs. Een muziekfestival op den buiten ergens. De vroege jaren ‘90. Versafgestudeerd van het middelbaar. Binnenkort alleen op kot in Gent. De wereld trekt zich open en ik ga er in stappen.

De tekst had niets van doen met mijn leefwereld toen maar het lied zit vastgeklonken aan dat schakelmoment uit mijn jeugd. Een dijk van een nummer als ‘Mia’ komt uit dezelfde zomer maar heeft niet zo’n onversneden effect. Het is door zijn cultstatus meegereisd naar het heden en afgekalfd in ‘teletijdreiseffect’.

Thuisgekomen blijkt de man des huize intussen ook gearriveerd. Ik hoor ‘m boven rommelen in de badkamer. Plots staan we te tongzoenen bij de wasmachine.

‘Amaikes,’ zeg ik even later, ‘dat was langgeleden dat ge dat nog eens deed, zo tongzoenen.’

‘Ikke? Gij zijt begonnen zulle. Maarre, ge hoort mij niet klagen, hè.’