blog van Eva De Groote

dinsdag 17 maart 2015

Over ezels en padden


Het is vrijdagavond, de tafel is afgeruimd. De meisjes zijn nog niet naar boven, we hebben geen haast vanavond. We vertoeven in heerlijk lummelen. Dingdong. ‘Verwachten we iemand?’ vraag ik mij luidop af. De kleine dames reageren niet op de bel. Ik laat ze in hun bezigheden en ga open doen. Een oudere man, deftig gekleed, een hoofddeksel dat twijfelt tussen hoed en pet. ‘Excuseert u mij,’ vraagt hij keurig en geaffecteerd, ‘klopt het dat er hier een meisje woont dat cello speelt en dat naar de Steinerschool gaat?’ Er passeert een vleugje wind, hij trekt zijn sjaal dicht rond zijn hals. ‘Euh, het eerste klopt, het tweede niet, komt u anders even binnen?’ Dat lijkt hem een goed idee. De meisjes zijn geïnteresseerd nu, ze bieden hem een stoel aan. ‘Wilt u iets drinken?’ Dat slaat hij af. ‘Het zit zo,’ zegt hij traag en articulerend, ‘mijn zoon van twaalf voelt zich niet zo goed op zijn school. Te veel stress, teveel druk. Ik had dacht dat de Steinerschool misschien iets voor hem zou kunnen zijn.’ Hij spreekt traag maar laat er geen speld tussen komen. ‘Mijn buurman meende dat het meisje met de cello uit deze straat naar de Steinerschool ging en ik dacht ‘ik ga eens horen’. Tja, u denkt waarschijnlijk ‘een zoon van twaalf’ en zo’n oude vader. Ja dat klopt, maar mijn vrouw is vijfentwintig jaar jonger dan mijzelf en zij is negenenveertig intussen dus dan ziet u het plaatje, hè.’
‘Aha,’ zeg ik, ‘wel, het klopt van de cello maar niet van de school. Maar ik kan wel mijn ervaringen met u delen over de school waar ze zit. We zijn er erg enthousiast over.’
‘Ja, maar ik ken die school en die is sowieso te ver,’ onderbreekt hij meteen, ‘dat lijkt mij maar niets. Mijn vrouw wil ook niet dat onze zoon zo ver moet fietsen naar school. ’
‘Oh maar dat valt mee hoor, bovendien is er een erg goeie busverbinding, als het donker is of slecht weer dan..’
‘Nee, nee, mijn vrouw vertrouwt dat niet. We hebben ook een dochter van tien, ziet u en zij werd al eens aangesproken op de bus. Zo van, ‘en is dat uw mama, meisje, en wat voor werk doet uw papa, en zo van die dingen. Nee nee, de bus, dat vertrouwen we niet. En fietsen ook niet. U moet begrijpen, mijn vrouw is als Russische opgegroeid in Bulgarije. Daar werd er niet gefietst.’ Hij maakt een wegvegende beweging met zijn hand. Ik sta tegen de tafel geleund, de meisjes zijn erbij komen zitten. Even is het stil.
‘Wij zitten op een erg goeie school,’ zegt de kleinste dapper en trots.
‘Oh ja, waar dan? vraagt hij en hij leunt lichtjes naar haar toe. Ze denkt een momentje na.
‘In de Wasstraat.’
‘Oh la la,’ zegt hij luid terwijl hij lucht zuigt,’ in mijn tijd was dat de grootste krapuulschool van Gent.’ De meisjes schrikken er een beetje van. Hij voegt er wat zachter aan toe:
‘Dat is natuurlijk al een hele tijd geleden. Het was mijn eerste werkervaring, ik was leerkracht in het begin van mijn loopbaan. Nee, maar ik denk dat het de Steinerschool moet worden voor onze zoon.’ Hij kijkt even naar de grond en dan weer naar mij. ‘Heeft u er iets op tegen misschien?’
‘Neenee, maar wij wilden wel graag dat onze dochter naar een buurtschool zou gaan met een mix van kinderen en achtergronden. Dat heeft heel erg meegespeeld in de keuze van de school.’ Hij lijkt van een bij gestoken plots, hij leunt achteruit en bestudeert een paar tellen mijn gezicht. ‘Nochtans zijn het de islamieten die alles verpesten. Ik zal u eerlijk zeggen, het is vooral daarom dat we een andere school zoeken voor onze zoon. Kijk hè, waar mijn vrouw is opgegroeid hè, daar waren het de islamieten die de plak zwaaiden. Weet u dat de andere bevolkingsgroepen niet eens een paard mochten berijden. De paarden waren voor de islamieten, de anderen kregen een ezel.’ Zijn hand met uitgestoken vinger die zijn woorden onderstreepte, belandt weer op zijn been. Even is het stil. Zelden de meisjes zo sprakeloos aan tafel weten zitten.
‘Oh!’ gilt de middelste plots uit. De man veert licht omhoog van het schrikken. ‘Oh, mama! het is toch niet te laat hè, we mogen toch nog gaan hè?’
‘Waar naartoe meisje?’
‘Naar de padden! De padden gaan oversteken in het park!’
‘Ah ja, da’s juist, dat had ik eigenlijk beloofd. Het is al wat laat maar we zullen nog even gaan kijken.’
De meisjes komen in beweging en beginnen spullen te verzamelen om aan te trekken. Een paar tellen lang negeren we onze gast. Hij gaat nog niet staan. Hij lijkt wat verbouwereerd.
‘Mevrouw,’ zegt hij uiteindelijk,’ u gaat toch niet met uw dochters in het donker naar het park. Dat park heeft ‘s nachts een erg kwalijke reputatie, een verzamelplek voor...’
‘Doe maar jullie laarzen aan,’ zeg ik en ik trek zelf snel mijn jas en muts aan.
‘Dat lijkt mij nu toch erg onverstandig.’
‘Oh, maar we gaan gewoon even naar de padden kijken. We kennen het park van binnen en van buiten, het is onze vaste stek.’ Intussen staan we allemaal klaar aan de voordeur en zit onze gast alleen aan tafel. Vier paar verwonderde ogen zijn op hem gericht.
‘Juist, dan ga ik maar eens,’ zegt hij terwijl hij rechtstaat. Hij knoopt zijn sjaal weer dicht. ‘Ik dank u voor uw tijd.’
Ik knik en we verlaten allemaal samen het huis. Hij loopt naar rechts de straat in. Wij gaan naar links naar het park toe. De middelste loopt voorop, verlangend om de padden een veilige oversteek te gunnen. De oudste heeft de step genomen en doet kunstjes op de stoep. De kleinste loopt aan mijn hand. Haar blik staat ernstig.
‘Mama?’
‘Mmm.’
‘Waarom mogen islammensen niet op een ezel zitten?’
’

dinsdag 10 maart 2015

Volhouden

De jongste heeft de pech dat we het allemaal al eens gezien hebben en niet snel overstag gaan. De episodes van systematische dwarsheid, van tenenkrullende ambetantigheid, van aanhoudend ‘ikverveelmij’ gejengel. Ik blijf er meestal stoicijns bij, treed op als het de spuigaten uitloopt, geef wat extra aandacht af en toe.
Dé strijdarena echter, dat zag ik ook bij de voorgangers, zijn de muzieklessen. Het oefenen thuis en de ene les per week bij de leraar zijn uitgelezen kansen voor een zesjarige om te oefenen in de nieuwe rayon der mogelijkheden: ‘machtspelletjes’. Het gebedel, geprobeer, getrek en geduw om het kind naar de les te krijgen past in het schuifje ‘onterend’ in de categorie ‘ouderschap’. Na het overleven van eerdere vioolterreur en verscheidene celloattaqueskes, weet de derde telg verdorie twijfel en twist bij haar uitbroeders te veroorzaken. ‘Voor wie of wat zouden we dat kind nog blijven pushen als ze niet wil? Dat ze er dan maar mee ophoudt, dan zijn we van het gezaag van af.’ ‘Jamaar, ze heeft ons eerst de oren van de kop gezaagd om lessen te mogen volgen, is het nu niet onze taak als ouder om haar te helpen volhouden?’

Het voorbije weekend beloofde een heuse overdosis gejengel. Niet alleen nam het een start op zaterdagochtend met intensief ‘allez kom, niet zeuren, we gaan gewoon efkes naar de les’- gepor, het zou ook nog moeten eindigen met een informeel concert van kleine pianisten op zondagavond..
Op de schitterende vooravond van een eerste lentedag bellen we aan bij het statige herenhuis waar het concert der mini’s zal doorgaan. Ik geef het ouderlijk gezag prompt door aan de pianojuf die meteen ziet hoe laat het is. Ze gaat op haar hurken zitten voor het mokkend mormeltje en zegt: ‘Weet je wat, jij gaat gewoon eerst, dan ben je ervan af, goed?’ Naar de voeten starend hoofdgeschud is de reactie. ‘Ok, tweedes dan, en geen verdere discussie.’ Ze trekt haar schouders op. We klimmen naar de kamer op de eerste verdieping waar de andere ouders al rond de vleugelpiano zitten. Nadat het eerste durvertje de spits heeft afgebeten, wordt mijn dochter kordaat gesommeerd door de pianojuf. Ze gehoorzaamt en beent zuchtend naar de vleugel. Ze speelt op een drafje de twee afgesproken liedjes en rent weer naar haar plaats, haar gezicht verscholen houdend achter haar haren.
‘En dan nu de Stella’s,’ zegt de juf. Nemen plaats aan de piano: twee meisjes, van zes en zeven. Ze dragen dezelfde naam. Hun ouders vonden elkaar en vormden nieuwe gezinnen. De vader van de ene Stella is ook de stiefvader van de andere Stella. Beide Stella’s hebben hun moeder mee. En voor elke Stella tekent een stiefvader present. Daar gaan ze. Ze spelen een quatre mains, de nieuw gevonden zusjes. Ze concentreren zich gespannen bij het eerste deel. Eens de kop er af is komt er spelplezier en gegiechel bij en verhuizen ze van plaats om elk alle toetsen van de vleugel te beroeren. Ze maken vast ruzie thuis. Het is wellicht soms ingewikkeld. Maar daar zitten ze dan zusterlijk, ze spelen de pannen van het dak.

Uren later tracht ik de troepen onder zeil te krijgen. Het weldadige lentelicht heeft de veulens in hen gewekt, ze zijn niet kalm te krijgen. ‘Ik moet nog iets gaan halen beneden,’ zegt de kleinste en ze verdwijnt langs de trap. Als de zussen eindelijk met strip en nachtlamp in bed zitten, besef ik dat de kleinste nog steeds beneden is. Ik ga kijken, glip de woonkamer in en zie haar zitten aan de elektrische piano met de koptelefoon op. Ze zit met haar rug naar mij toe, ze ziet mij niet. Haar vingers rennen over het toetsenbord, haar hoofd deint mee, haar voeten raken nog niet aan de grond.

dinsdag 3 maart 2015

Werk

Een treincompartiment buiten de spitsuren. Ik heb een vierzit voor mij alleen. Bij het raam aan de overkant zitten twee vrouwen. Ze lijken sterk op elkaar, met een tijdsinterval van om en bij de twintig jaar. Moeder en dochter. Beide met korte snit en losse fleece. De moeder staart naar buiten, de dochter duimt onophoudelijk op haar telefoon. In het vak naast hen zitten twee jongemannen. Op één van hen heb ik uitstekend uitzicht vanuit mijn vierzit. Hij draagt een pak van een beveiligingsfirma, het lijkt speciaal voor hem gemaakt, hij is erg zwaar gebouwd. Hij praat over het komende weekend, over de gamemarathon die hij van plan is. Hij haalt een grote tupperwaredoos uit zijn rugzak en eet in twee happen één van de sandwichen op die er in verborgen zit.
Als de trein lichtjes vertraagt, doe ik mijn jas en sjaal aan en schuifel naar de treindeuren. De fleecedames doen hetzelfde. Ze passeren de bewakingsjongemannen en wachten bij de schuifdeur tot de trein tot stilstand komt. ‘Pfff,’ zegt de jongste,’ die securitymannen, wat is dat voor een stomme job zeg, die moeten dan een winkel bewaken maar als er iets gestolen wordt mogen ze toch niets doen behalve op de politie wachten.’ De moeder mompelt iets onverstaanbaar. De zware jongen heeft de opmerking opgevangen en steekt zijn hoofd opzij. ‘Het is waar,’ zegt hij met een schouderophaal, ’het doet er niet toe wat ik doe maar het betaalt wel de huur op einde van de maand.’

We zijn maanden later intussen en het beroep van bewakingsagent heeft een heel andere uitstraling gekregen. Het doet er toe. Het beroert de gemoederen. Toch blijft de jongeman in zijn op maat gemaakt bewakingskostuum rondtuimelen in mijn achterhoofd. Het beeld van de jongen schaart zich bij een gedachte van filosoof Michel Bauwens, ongeveer als volgt: ‘We vertrekken ‘s morgens van huis om een heel eind in de file te zitten, om dan te geraken op een plek waar we niet per se willen zijn, om iets te doen dat we niet echt graag doen en waar niemand echt op zit te wachten. Is dat niet iets vreemd dat we eens zouden kunnen herbekijken?‘ De vraag van Bauwens hokt samen met dat bekend citaat van econoom Tim Jackson dat lustig gedeeld werd op facebook, en dat massa’s duimen kreeg: ‘We are persuaded to spend money we don’t have on things we don’t need to create impressions that won’t last on people we don’t care about.’ Allemaal goed en wel, al die vaststellingen. Allemaal goed en wel, al die meningen. Hoe zit het met het doen? Met de actie?

Ik start mijn eerste vrije dag in vele weken in het theehuis om de hoek. Zij die mij gisterenavond per sms ordonneerde om hier te verschijnen deze ochtend, schuift bij aan mijn tafeltje.
‘Awel,’ zegt ze terwijl ze haar sjaal uittrekt.
‘Awel wat,’ zeg ik met een vleugje irritatie. Ze glimlacht en kijkt geforceerd streng. Ze doelt op mijn pesthumeur van de voorbije dagen. Ze ontfutselt mij een glimlach.
‘Ik weet het niet,’ zeg ik, ‘ik voel mij ambetant. Ik erger mij aan vanalles. En van al dat ergeren, daar word ik nog meer slechtgezind van.’

Een uurtje thee drinken en hart luchten maken dat ik met opklaringen in mijn gemoed thuiskom in een huis voor mij alleen. Ik installeer mij met kranten en koffie en doorblader de bijlagen van de laatste dagen. Ik blijf hangen bij Rutger Bregman, de Nederlandse onderzoeksjournalist die momenteel prijzen vangt. Hij formuleert de ene prikkelende stelling na de andere: hij noemt ze radicale alternatieven. Hij heeft het over ‘terug utopisch leren denken’ en hij koppelt ze aan actie, ook al lijken bepaalde pistes voor politieke partijen op het eerste zicht onhaalbaar en gaan ze in tegen dogma’s. Hij praat in het interview met ontroerende bevlogenheid over de kansen die een model met een gegarandeerd basisinkomen genereert. Over het belang van zinvol werk. Over nieuwe solidariteit. Over het destigmatiseren van werklozen en het afzetten van de wij-zijbril, ook als je dacht dat je die bril niet droeg. Het is inspirerend. De ideeën zijn op zich niet nieuw maar de manier waarop hij ze bij elkaar brengt en de voorbeelden die hij geeft, blazen opwinding in mijn hart. Ik betrap mijzelf op handenwrijvende goesting. Om te bouwen. Om te werken. Ik kijk op van de krant. Op het terras achter het schuifraam zit de merel des huizes. Hij pikt de graantjes op die ik deze ochtend voor ‘m op de planken gooide. Hij heeft mijn blik in de gaten, hij stopt met pikken. Ik hou mijn hoofd scheef, hij doet hetzelfde. Ik groet hem met een hoofdknik.

dinsdag 10 februari 2015

Feestmaal

Hij komt thuis en hapt naar adem bij het aanschouwen van de keuken. Hij slikt zijn commentaar nog net op tijd in. Het is een van die dingen die ons zal blijven parten spelen tot de dood ons scheidt. De stijlverschillen in het koken. Ik maak een sport van het gezonde turbokoken. De culinaire oorlogszone die achterblijft is iets wat ik volstrekt negeer zolang er gesmikkeld wordt, en waar ik mij later op de avond na een diepe zucht en met een achtergrondmuziekje overheen buig. Toegegeven, als hij kookt blijft er niet zo’n slagveld over, maar dan zitten er wel gapende meisjes aan de ontbijttafel de volgende ochtend. Voor hem is niets meer ontwrichtend dan het moeten vertoeven in de chaos van het wilde kokkerellen. Voor mij is er niets meer ontspannend dan allerlei ingrediënten op het werkblad kalefateren en op zoek gaan naar geslaagde smaakallianties, met seizoensgroenten in de hoofdrol. Het vraagt natuurlijk aanhoudend enthousiasme om voor de tigtigste keer witte kool, rode bieten of prei klaar te maken. En vooral om die snode gerechten binnen te smokkelen in de keeltjes van het jonge grut. Geraspte witte kool met karwijzaad, stevige gekruide witte koolsoep, gesneden witte kool met yoghurt en veenbessen. Gestoofde prei met fetakaas, prei gebakken met champignon en citroen, jonge prei uit de oven in mooie stronkjes. Rode bieten gesapt, rode bieten geraspt, rode bieten gestoofd in kleine blokjes met boter. Over de jaren ontwikkelde ik een geheid assortiment van truken van de foor om de smaakpapillen te trainen van de jongedames aan mijn dis. Een: serveer met poeha het slaatje als voorgerecht. Ze hebben op dat moment zo’n honger dat de kans erg groot is dat ze het binnenwerken. Twee: serveer rijst of gierst of wat zich ook laat proppen uit een kopje omgekeerd op hun bord om ze te paaien met landschappen. Drie: serveer een nieuwe creatie altijd samen met een vertrouwde om wat culinair houvast te bieden. Vier en vooral: sta ketchup toe als heilig glijmiddel.


‘Mama,’ zegt de kleinste aan tafel, ’ik wil warm eten op school.’
‘Meisje, dat hebben we nu al veel besproken, hè. We vinden het fijn om samen warm te eten thuis. Daarom eten jullie boterhammen op school.’
‘Ja, maar de kinderen die warm eten krijgen van die lekkere dingen.’
‘Wat dan?’
‘Zo van die worstjes.’
‘Wil jij graag worstjes eten?’
Het hevig knikken als antwoord op mijn vraag wordt tot mijn verbazing ook door de zussen overgenomen.
‘Willen jullie alledrie worstjes eten?’
‘Oh ja,’ zegt de middelste,’ zo van die chipidinges.’
‘Chippolatas?’
Hevig geknik in drievoud.
‘Oh,’ zegt de oudste,’ en zoiets met een korstje rond en hesp en kaas van binnen, wat we bij oma altijd eten.’
‘Cordon Bleu?’


De dag erna sta ik worsten te bakken als avondmaal. Hij suggereerde om er ineens een klassieker van te maken. Zo verschijnen er ook aardappelen en appelmoes op tafel. Het moet gezegd, het geeft minder chaos in de keuken. Ik vind het maar niets maar ik hou mijn on-enthousiasme voor mezelf om de worstenpret niet te bederven. Daar zitten ze, alledrie met mes en vork in de aanslag, klaar om het feestmaal te verorberen. De bel gaat. ‘Verwachten we iemand?’ vraag ik. ‘Niet dat ik weet,’ zegt hij terwijl hij al onderweg is naar de voordeur. Even later verschijnt hij terug, zich in het haar krabbend, met een prachtige jonge vrouw in zijn kielzog. Ze heeft stijlvolle lange haren tot onderaan haar rug, een modieuze bril en een laptop onder de arm.
‘Goeienavond,’ zegt ze terwijl ze rondkijkt.
‘Goeienavond,’ zeg ik nieuwsgierig.
‘Ja,’ zegt mijn wederhelft nog steeds met zijn handen geen blijf wetend,’ dat was ik dus helemaal vergeten. Het zit zo. Deze dame is diëtiste, ze belde mij een paar weken geleden op met de vraag of ik wou deelnemen aan een studie om de voedingsgewoonten van de Belgen in kaart te brengen.’ De meisjes kunnen zich niet langer inhouden en trekken zich niets aan van het bezoek. Ze storten zich op de worsten in het niet te evenaren gezelschap van appelmoes en aardappelen.

dinsdag 3 februari 2015

Maanfratsen

Vroeger had ik geen erg in de maan. Alleen met een hoogzwangere buik was ik in aanbidding van hare volheid, om de weeën te wenken na een lange dracht. Intussen hou ik de maankalender wel in de gaten. Want als de maan pronkt in volledigheid is ze aanleiding voor gibberend rendez-vous.
Hoe is dat zo gekomen? Na jaren van frustratie en doodlestress om met een paar vriendinnen op regelmatige basis wat tijd te stelen, opperde ik in eens kriegel per email na een zoveelste datumdrama: ‘En als we nu eens gewoon afspreken telkens als het volle maan is. Wie er bij is is er bij, wie niet kan heeft pech?’ Het bleek een goed idee en alweer een pakje minder organisatiepijnen.
Alleen spijtig dat die volle manen zich niet aan de weekends willen houden. Zo komt het dat ik op een zondagavond, die onverbiddelijk zal gevolgd worden door een maandagochtend, afzak naar een bos voor een bijeenkomst van ongeschoolde heksen. Excuus, eentje is in opleiding. Het is niet zomaar volle maan, zo blijkt, het is Imbolc. Tijd om afstand te doen van de winter en ons klaar te maken voor de lente, met het sneeuwklokje als symbool.
We spreken af in het familiaal buitenverblijf van één van de hobbydruiden, zo’n plek verstoken tussen een overwoekerde verlaten spoorweg en een oude strook bos. Zo’n plek waar je dient te worden naar toe geleid wegens anders onvindbaar. Het geïmproviseerd pre-lentefeest vraagt uiteraard om reinigend vuur. We giechelen en sukkelen om het soort vlammen op gang te krijgen dat het hout wil likken in de natte nacht. Het lukt met vereende krachten vol gewapper en aanmoediging en warempel, het stopt ook nog eens met regenen. De hemel trekt zijn zwarte wolken uit elkaar om boven onze hoofden de felle maan te onthullen in haar witte kracht. Het is zo’n donkere Harry Potter nacht met een gillende uil in de verte en knoestige takken in lege boomkruinen.
‘Zullen we nog kaarten trekken?’ vraag ik als we al een tijd bij het vuur zitten, het wegtikken van de slaapuren negerend in de opgewekte energie van het samen zijn. De opperheks heeft haar kaarten mee. Het leggen van kaarten is telkens opnieuw een wonderlijke uitnodiging om uit te zoomen van de denderende routinemachine, van het verengen van de scope die je toch altijd weer stiekem besluipt. Het hek is van de dam, we halen er nog  wat wijn bij en gaan aan de slag. Ik krijg als eerste een set voorgeschoteld en luister vol verwondering naar de suggesties van de getrokken kaarten. Het blijkt een pleidooi voor het speelse, het lossen van de serieux en het rustig laten rijpen van de dingen. Dat ook daar de groei zit soms, niet alleen in de continue volharding, het altijd maar naarstig zoeken van het pad. De gezellinnen zitten merkwaardig te knikken bij mijn verdict. Ik leun wat naar achter en verschans mij niet in ontkenning maar observeer mezelf in de voorbije maanden van rennen en zwoegen, van verliezen van perspectief in het donkerste van de winter.

Ik word wakker en netjes afgeleverd aan mijn voordeur in de stad. Ik loop recht naar boven, tevreden verlangend naar mijn bed. De slaapkamer blijkt ongewoon uitgedost. Micro’s staan opgesteld en een deken hangt daar waar in de zomer een muskietennet zit. Ik betrap mijn echtgenoot terwijl hij hardhandig een kussen zit te kneden onder een microfoon. Hij is professioneel met geluid bezig maar het is toch een vreemd gezicht.
‘Euh?’ zeg ik fronsend.
‘Ja, wel, ik ben het geluid voor een voorstelling aan het afwerken en ik ben niet tevreden over het geluid van een bepaalde scene. Een vrouw wordt op een bed gegooid en zo van die dingen.’
‘Ah, ik snap het. Kan ik helpen?’
‘Ah ja, goed idee.’ Manlief wordt helemaal enthousiast en toont voor hoe ik mij op het bed moet werpen. Hij gaat achter de knoppen staan en zet zijn koptelefoon op. Ik probeer het eens, een beetje aarzelend. Hij moedigt mij aan om het wat harder te doen. ‘En met wat meer ellebooggeluid.’ Ik doe het nog eens en nog eens. Alsmaar uitbundiger gooi ik mij op het bed en opnieuw en opnieuw. ‘Oh ja,’ zegt hij,’doe dat nog eens. Oh, dat moet ik hebben, erg goed. Nog een keer. En nog een keer.’ Hij wordt helemaal wild. Het is lang geleden en het moest er nog eens van komen, ik begin onbedaarlijk te lachen. Het is geen professioneel gedrag voor een ‘foley actress’ maar het is niet te stoppen. Het steekt hem aan en zo zitten we samen te lachen tot we tranen in een slaapkamer vol met microstatieven en dekens als behang. Mijn buik doet pijn maar het doet zo’n goed. Ik nodig de lente uit, mijn aderen vullen zich met dartel.

dinsdag 20 januari 2015

A new day

Zaterdagochtend. ‘Ik ga niet meer naar de pianoles,’ zegt ze ferm. Ze beent naar huis met kordate tred, een boos dwergje met sluik haar en gekruiste armen. ‘Ik heb een stom leven,’ foetert ze tegen de straatstenen. De pianojuf haalde al haar truken uit de kast. Maar de kleine leerling had beslist dat ze vandaag de piano niet zou aanraken en volhardde in de boosheid. De juf bleef er bovenaards kalm bij. Ik bedankte haar in het Engels voor haar geduld terwijl ik mijn kleine trol in haar jasje hielp.
We lopen naar huis, het is maar een paar straten ver. Hoe dichter ik de thuisbasis nader, hoe zwaarder mijn stappen wegen. Functioneren in chaos, geen schrik hebben voor het dysfunctionele, falen en herbeginnen. In het stadslabo waar ik werk zijn het waarden die we koesteren als essentiële talenten voor de hedendaagse mens. Om systemen in vraag te stellen, om dingen her uit te vinden, om via kleine veranderingen verschuivingen te weeg te brengen. Maar deze hedendaagse mens bakte er niet veel van deze week. Het wou niet zo vlotten met het zien van de bomen door het bos, met het omarmen van het falen, met het ontdekken van de opwindende nieuwe wegen in het malfunctioneren van de dingen. In de plaats daarvan snakken mijn cellen en vezels naar duidelijkheid, naar opheldering, naar begrijpen. Het dreigingsniveau is verhoogd van 2 naar 3, we zijn in staat van beleg. We houden een minuut stilte. We zijn Charlie. We zijn niet Charlie. We zijn Ahmed. We zijn niet Ahmed. Machthebbers lopen arm in arm door de straten van Parijs. Machthebbers verkochten stevig ellebogenwerk om arm in arm te lopen door de straten van Parijs. Roosevelt wordt geciteerd: ‘the only thing we have to fear, is fear itself.’ We worden aangeraden door psychologen om onze routines op te nemen zoals altijd en voort te doen met wat we bezig waren. ‘We hebben geen nood aan bewapening,’ zegt iemand aan de schoolpoort, ‘maar aan collectieve heling’. We kijken naar het nieuws en zitten er paf bij. We corrigeren onze kinderen als ze proberen te begrijpen waarover het gaat en wanneer ze spreken over ‘de moslims’.

We staan voor de voordeur van ons huis. Het boze elfje is alweer op en neer aan het springen. Ik open de deur en ze stormt naar binnen. Ik heb zo’n beukende bol hoog in mijn borstkas. Ik zet mijn tas bij de kapstok maar hou mijn jas aan. ‘Ik ga nog even wandelen,’ zeg ik en zonder de reactie van gezinsleden af te wachten trek ik de deur alweer achter me dicht. Ik zet er de pas in, de straat uit, de steenweg over, naar het park toe. De stedelijke wildernis in de buurt is maar een pover alternatief voor de heuvels van de Vlaamse Ardennen waar ik ben opgegroeid. Maar toch word ik er naar toe gezogen. Ik weet niet juist wat voor verdriet het is maar het bezet mijn keel en zoekt naar bedding. Ik loop het wilde stuk in waar amper mensen komen, naar de plek waar het vol rietstengels staat, waar je doorheen kan glippen tot je bij een verborgen omgevallen boom komt. Daar wil ik even gaan zitten om een beetje te snikken. Maar ik vind geen groen om in te verdwijnen, het riet is weggemaaid. In plaats daarvan troosteloze kaalslag, de omgevallen boom ligt er naakt en verlaten bij. De tranen komen niet, ze zinken weg. Ik zit er een tijdje, een kort tijdje van niet-gechronometreerde minuten. De bleke winterzon projecteert haar stralen op het spinrag gespannen tussen de korte rietstengels. Een fantastisch koorddansparadijs in miniatuur. Doorheen de stilte klieft de beiaard. Ik ken de deuntjes die hij speelt. Dit is er eentje dat ik nog niet hoorde in het klokkenassortiment. Alle menschen werden bruder. Pfff.

Een weekend om het nieuwe jaar te vieren met vrienden en familie. Om er aan te beginnen, aan dat oppikken van de routine, dat verder doen, dat opgeheven hoofd. We eten en we drinken, we zijn samen, we zoeken niet naar de onderwerpen die ons scheiden, maar naar de grappen die ons binden. Zondagavond. De visite is naar huis. Na het afruimen en terugschikken van de meubelen, het instoppen van de jongste dochters, kom ik in de kamer van de eerstgeborene die is getransformeerd tot jonge puber. Ze drentelt zenuwachtig rond, licht hyperventilerend. Het blijkt dat ze een taak over het hoofd heeft gezien, een preekbeurt Engels die tegen morgen moet worden uitgevonden én ingestudeerd. Ik adem diep in en zet mij schrap voor een crise in kwadraat van mijn pappenheimer die graag goed voorbereid is. In de computer onder mijn hersenpan pre-mix ik al een mantra, dat er niets aan te doen is, dat het niet erg is, dat ze dan maar een buis heeft, dat de wereld er niet zal door vergaan. Ik ben nog maar begonnen en ze slaakt plots een zucht van opluchting.
‘Oh,’ zegt ze met het hand op het hart,’ da’s waar ook. ik heb morgen geen les de eerste twee uur. Komt dat even goed uit. Ik weet het al wat ik ga doen. Ik ga het nu nog snel voorbereiden en morgenochtend opmaken en instuderen. Dat moet lukken.’ Ze pakt pen en papier en gaat aan haar buro zitten. Ik verdwijn in opperste verbazing. Ik installeer mij op mijn bed in de kamer ernaast om in mijn boek te lezen. Het wordt stil in huis. Ik zink weg in een heerlijk suffen. Na tien minuten driftig pennen, houdt ze ermee op. Ze verzamelt haar mappen voor morgen. Ze neuriet een liedje. Ik zette het de voorbije week wel twintig keer op omdat ze het moest leren onderscheiden in een berg klassiekers, van klassiek instrumentaal over klassiek vocaal tot jazz. Het is Nina Simone, 1965.

Birds flying high
You know how I feel
Sun in the sky
You know how I feel
Breeze driftin' on by
You know how I feel
It's a new dawn
It's a new day
It's a new life
For me
And I'm feeling good

dinsdag 6 januari 2015

Leeuw

De digicorder is kapot. Het ding gaf al ettelijke maanden aan zich niet lekker te voelen. Deels uit onwil om er tijd in te steken, deels omwille van het niet kunnen aanvaarden van het geprogrammeerde kapotgaan van de dingen, negeerde ik het probleem hardnekkig. Tot de kerstvakantie aanbrak en er veel tv zou worden gekeken. Tot een dochter stuiperig op de knopjes bleef timmeren met steeds meer drift en gegil. Tot de beide echtgenoten uitgefloten waren wat betreft het wegkijkend doorspelen van de bal. Ik sla aan het bellen. Ik word enorm vriendelijk toegesproken door een juffrouw bij de klantendienst. Soms slagen dit soort hulplijnen er geweldig goed in om je de indruk te geven dat je een volslagen idioot bent. Deze medewerker is anders gebrieft.
‘Kijk mevrouw, ik zie hier dat uw huidig toestel al van 2008 dateert, daar kan u eigenlijk niets meer aan fiksen. Het goede nieuws is dat u zich kan begeven naar een van onze verdeelpunten bij u in de buurt om volledig kosteloos een nieuw toestel op te pikken.’
Ze geeft me nog - vrouwen onder mekaar - een gouden tip, zo zou later blijken: ‘fotografeer de achterkant van de toestellen, zo weet je waar welke kabel zat zodat je makkelijk opnieuw kan aansluiten.’
Een uur later sta ik aan te schuiven bij het dichtstbijzijnde verdeelpunt in de buurt. Zo’n electronicazaak, grauwtjes gelegen tussen een tankstation en een wasserette, waar ik al duizenden keren passeerde maar die ik nog nooit eerder opmerkte. Het aanschuiven duurt lang, ik ga in aanvaardingsmodus. Er is een lange balie met drie medewerkers. De aanschuifrij bevindt zich aan het verste loket. Het aanschuiven organiseert zich onuitgesproken en hoogst democratisch. Als een man vlotjes binnenloopt en gaat aanschuiven aan het middelste loket krijgt hij een scheve blik en een luide zucht te verduren van de aanschuivelingen voor mij. Even houdt hij het vol, koppig en met opgeheven hoofd. Een grom en gedecideerd handgebaar later druipt hij toch af en komt achter mij staan, netjes in de rij. De medewerkers zijn alledrie mannen tussen de 25 en 35. De man van het dichtsbijzijnde loket maakt er een punt van om zich opgewekt en vriendelijk door de middag te werken. Het gaat hem goed af, het werkt zelfs aanstekelijk. Ik moet glimlachen om zijn herhaaldelijke verbazing over de oude man die geen emailadres blijkt te hebben, wat hem blijkbaar voor grote uitdagen stelt om het klantdossier verder in te vullen. Ze beslissen uiteindelijk samen om een emailadres uit te vinden.
‘Sorry voor het lange wachten,’ vat hij de volgende klant aan.
‘Tis nikske jong, ik wordekik betaald om te wachten en niets te doen, ge hoort mij niet klagen.’
‘Ah da’s goed dat, en ik word amper betaald om veel te veel dingen te doen, zo gaat dat dus.’
De medewerker draagt zijn haar in een strakke dot hoog op zijn hoofd. Daaronder een hemd en een losse das. Zou hij in de winter werken en sparen om in de zomer door Azië te reizen? Net als ik bijna aan de beurt ben, doet de aanpalende medewerker  teken dat ik bij hem mag komen. Met enige spijt - ik verheugde mij al op een korte ontmoeting met de jolige medewerker - presenteer ik mij aan de buurman. Zijn kort haar zit in de gel, hij veert ongedurig op en neer.
‘Zeg het eens.’
‘Tja, mijn apparaat heeft de geest gegeven en...’
‘en u komt het omruilen voor een nieuw. We brengen dat direct in orde.’
Hij knipt de datakaart uit de recorder en weet meteen alles van mij. Hij pakt een nieuw apparaat en legt uit dat de administratie door een andere medewerker op een andere locatie gebeurt en dat het even kan duren. Maar dat hij ondertussen met plezier meer info geeft over de mogelijkheden van het nieuwe apparaat. Van daaruit glijdt hij vlotjes naar de verschillende pakketten in de aanbieding. Hij ziet dat we momenteel pakket A hebben. In pakket B kan je programma’s opvragen die voorbij zijn en nog zo vanalles. In pakket C kan je onder meer recente films en buitenlandse topseries opvragen. Pakket A is 19 euro per maand, pakket B 45 euro. Hij meent in mijn luisterbereidheid en empathisch knikken te lezen dat ik zal upgraden en kijkt mij vreugdevol vragend aan bij het einde van zijn uitleg.
‘Goh, ik probeer eigenlijk niet teveel tv te kijken. Ik ben tevreden met het basisaanbod.’
Glimlach foetsie. Nieuw mapje.
‘Mag ik vragen bij welke provider u zit voor uw mobiele telefonie.’
‘Goh, bah nee. Da’s niet nodig. Misschien kan u mij al uitleggen wat de installatie inhoudt?’ Het gesprek verloopt niet naar zijn wens. Hij klapt het mapje harder dicht dan nodig.
‘Goed, als ik u daar echt niet mag in adviseren, stel ik voor dat u daar even gaat wachten tot de administratie in orde is.’
Ik begeef mij gewillig naar de wachtplek. Een paar minuten later roept hij mij terug.
‘Goed. De installatie. U heeft een netwerkkabel tot aan het apparaat?’
‘Ah nee, gewone kabel. De netwerkkabel is nog niet doorgetrokken geraakt tot in de living. Is dat nodig?’
‘Wel, er zijn 2 mogelijkheden. Of u legt een netwerkkabel tot aan het apparaat. Of - véél handiger - u gebruikt een apparaatje, ik heb het hier, dat u toelaat om wireless te werken. We hebben de apparaatjes hier in de aanbieding voor slechts 29 euro.’
‘Ah ja. Maar is dat nodig?’
‘Tja, als u graag het pakket wil waarin u series kan opvragen en programma’s die voorbij zijn, dan is dat zeker nodig.’
‘Ja, maar dat pakket was ik niet van plan te kopen. Kan ik de installatie van het basispakket doen zonder het extra apparaatje?’
‘Als u op termijn wil upgraden naar een pakket met meer mogelijkheden, hebt u het zeker nodig.’
Zijn het de overvloedige jinglebells in de stad, de eindejaarsuitputting bij mijn gezinsleden, de zich snel verspreidende koortsblazen op mijn gezicht, de vele kleine uitdagingen allerhande, ik weet het niet precies, maar een luide grom ontsnapt mij zo plots. De medewerker rechts en links van de mijne kijken ons nu aan, alsook de aanschuivende klanten in de lange rij. Ik kantel mijn hoofd lichtjes opzij en zoek naar een flard vriendelijkheid in mijn stem.
‘Heb ik - ja of nee - dat extra apparaat nodig om de recorder te installeren en het basispakket te draaien?’
‘Nee.’
‘Danku. Prettige dag nog.’